Hoofdstuk 11
Het gesprek
‘Siënne.’ Melde ze vrolijk.
‘Ja, hoi Siënne, dit is Tom.’ Zei Tom fluisterend, alsof iemand kon meeluisteren.
‘Oh hoi, hoe gaat het met je.’
‘Goed, goed, met Bill?’ Vroeg hij, zonder te vragen hoe het met háár ging.
‘Goed, ik heb het hem gisteravond toch maar gelijk verteld.’
‘Waarom moest ik dan wachten tot zondag?!’
‘De situatie bood zich aan.’ Aan de andere kant klonk een verontwaardigd ‘nèh.’
‘Is dat Tom?’ Geschrokken draaide Siënne zich op, haar lange haar vloog op van de beweging en sloeg Bill in het gezicht. ‘Eh. Ja?’ Zei ze verstrooit. ‘Tom, wil je je broer even spreken?’ Vroeg ze in de hoorn.
‘Heb je het tegen mij of tegen Bill?’ Ving Siënne nog net op terwijl ze de hoorn overhandigde aan Bill, ‘Hoi Tom?’ Zei Bill timide. Hij keek even ongemakkelijk naar Siënne, die de hoorn uit zijn handen pakte en hem op de luidspreker zette. ‘Je staat op de luidspreker.’ Melde Siënne aan Tom. Ze hoorde een zucht en het gevoel van ongemak in de kamer was bijna tastbaar.
‘Hoi Bill.’ Zei Tom eindelijk maar. ‘We zitten hier met z’n alle, jullie staan ook op de luidspreker.’ Zei hij maar, om iets te zeggen.
‘Wie zijn “z’n alle”’ Vroeg Bill, die zijn ogen beschaamt dicht kneep, hij kan zijn vrienden niet eens herkennen. Troostend legde Siënne een hand op zijn schouder.
‘Ik, Georg, Gustav, Peter, David, mam …’ even was het stil. De frustratie stond in Bills ogen. Hij kon de namen niet koppelen aan de mensen, ‘Gustav was toch de bassist?’ Fluisterde hij tegen Siënne, die schudde haar hoofd en besefte dat het gefluister danig dichtbij de hoorn was, dat ze het daar ook hadden gehoord.
‘De drummer.’ Fluisterde iemand aan de andere kant van de lijn terug, waarschijnlijk Gustav zelf. Er klonk kort gelach en op de gezichten van Bill en Siënne verscheen ook een glimlach. ‘En Peter en David zijn van het productieteam.’
‘Ja. Dat had ik meegekregen. Er was van gister een hele special over me op tv.’
‘Ja.’ Klonken verschillende stemmen. Stilte. ‘Mam zit hier dus ook … en ze wil even wat tegen je zeggen.’ Bill beet hard op zijn lip, wetende dat hij de komende stem ook niet kon thuis brengen.
‘Hé jongen van me.’ Begon Simone Kaulitz, alles behalve tactisch. Siënne legde haar ene hand tegen haar gezicht en kreunde zacht. Bill had zijn ogen dicht geknepen en een eenzame traan biggelde over zijn wang.
‘Hoi mam.’ Mompelde hij.
‘Herken je me?’ Vroeg de stem van Simone, zonder al te veel hoop in haar stem. Bills mond vertrok en begon te trillen, een enkele snik kwam door zijn keel en vond een uitweg via zijn neus.
Snel haalde Siënne de hoorn van de luidspreker, legde hem tegen haar oor en liep de kamer uit waarna ze de deur uit liep en op de galerij ging staan, ‘Goedemiddag, mevrouw Kaulitz. Ik ben Siënne Verdi, degene waar Bill op dit moment bij woont. Voor Bill is het allemaal een beetje te veel. Het spijt me.’
‘Ik begrijp het.’ Zei Simone met een stem die aangaf dat er geluidloze tranen over haar wangen liepen.
‘Hij vindt het verschrikkelijk dat hij zijn vrienden en familie niet herkent. Weten jullie al iets over morgen?’
‘Ja. We arriveren vróég!’ Zei Tom op een toon alsof hij nog nooit zoiets belachelijks
had gehoord. ‘Het wordt rond de klok van half acht landen we, driekwartier rijden vanuit Maastricht, zijn we er rond negenen.’
Siënne knikte en besefte dat men dat niet kon zien door de telefoon. ‘Mooi, ik denk dat het tijd wordt dat Bill zijn vrienden en familie weer terug ziet.’
‘Denk je dat?’
‘Nee.’ Zei Siënne eerlijk, ‘ik denk dat hij door de grond gaat van schaamte dat hij jullie niet herkent. Misschien kunnen we het beter in stappen doen voordat de gehele goegemeente in mijn kleine flatje staat.’ Dat laatste mompelde ze in het Nederlands, meer om het met zichzelf te overleggen dan met hen.
‘Wie bitte?’
‘Ik denk dat het beter is als we het in stappen doen, dat gaat het best en zorgt ervoor dat hij niet paniek raakt of iets anders dat zou zorgen dat zijn conditie achteruit gaat.’
‘Welke volgorde wordt het dan?’ Klonk een heel zakelijke stem, waarschijnlijk van Peter of David.
‘Het bekendste eerst.’
‘Zijn moeder?’ Klonk Simone hoopvol.
‘Sorry, mevrouw Kaulitz. Dat wordt eerst de band, dan de mensen achter de band en dan pas u.’ Nu begon Simone echt te snikken. ‘Hé, mam, hij leeft tenminste nog.’ Hoorde ze Tom tegen zijn moeder zeggen.
‘U wilt hem voorlopig toch nog niet zien.’
‘Pardon?’ Klonken drie stemmen.
‘Er is iets dat ik nog niet heb verteld.’ Siënne hield even stil en probeerde te bedenken hoe ze dit voorzichtig moest brengen. Dit was net zoiets als in het ziekenhuis, iemand had een ongeluk gehad en lag nu in coma, dat moest je ook voorzichtig brengen. Het fijne was dat je de mensen dan wél in de ogen kon kijken … ‘Bill is behoorlijk mishandeld.’ Er klonken verschillende geluiden; iemand begon enorm dramatisch te huilen—waarschijnlijk Simone; iemand verslikte zich in zijn drankje en begon al hoestend te schelden; er klonk een geluid alsof er iets omviel en uit drie monden klonk hartgrondig gescheld dat bijna vijf minuten doorging. Siënne liet het even gaan, de schok moest natuurlijk even verwerkt worden. ‘Hij is behoorlijk toegetakeld, maar het ziet er nu een heel stuk beter uit. Ik doe op dit moment een verpleegstersstudie en ik weet dus wat ik doe. De bijzonderheden vertel ik als jullie hier zijn. Ik denk dat het ook het beste is als Mevrouw Kaulitz hem het laatste ziet. Een moeder hoort haar zoon zo niet te zien, eigenlijk ben ik er ook tegen dat Tom komt, eigenlijk ben ik ertegen dat iedereen die hem kent hem ziet. Maar ik weet dat het enige dat wreder is dan het aan jullie te laten zien, is jullie te weerhouden hem te zien.’ Er klonk instemmend gemompel aan de andere kant van de lijn. ‘Ik hoop Tom, Georg en Gustav hier morgen te zien. Gelieve niemand anders. Tot morgen.’ En ze hing op, maar ze kreeg nog net mee hoe Simone in een ontroostbare huilbui schoot.
‘Bill?’ Als een zielig hoopje zat Bill tegen de achterkant van de bank, staars naar zijn knieën te kijken. Siënne ging op haar knieën naast hem zitten en probeerde zijn blik te vangen, ‘Hé, Tom, Gustav en Georg komen morgen.’
‘Jâh. En de rest.’ Schamperde hij zonder op te kijken.
‘Nee, enkel de jongens die in de band zitten.’
Bill keek op. ‘Echt?’
‘Echt.’
Tranen danste in Bills ogen, hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht en begon te snikken. Siënne keek even toe en probeerde hem toen te omhelzen, maar zoals een echte jongen betaamt, wilde hij omhelst, noch aangeraakt worden. Siënne stond op, met een jongere broer en een oudere broer wist ze, dat ze dit niet zou winnen. Ze haalde een bekertje water en zette het naast Bill neer, waarna ze zich in haar werkkamer opsloot, op haar logeerbed ging liggen en wachtte tot de dag van morgen.